Sanne en het Lampje van de Diepzee
Voor Sanne • 4-7 jaar • 5 min • Rustig
Sanne lag in haar bed. Haar deken was warm en zacht. Buiten was het stil. Door het raam scheen de maan. Op haar dekbed lag een klein blauw schelpje. Sanne pakte het op. Het schelpje was koel in haar hand. De randjes voelden een beetje ruw. Ze hield het tegen haar oor. Ze hoorde de zee. Ruis. Ruis. Heel zachtjes.
Toen werd haar bed een boot. Een kleine houten boot. De boot wiegde heen en weer. Heen. En weer. Het water rook naar zout. Het rook ook een beetje zoet. Sanne stak haar hand in het water. Het water was koel. Het kietelde tussen haar vingers.
“Hoe zou dat water voelen aan jouw hand? Koud, of juist lekker?”
Zintuiglijke vraag. Je kind zoekt zelf een woord voor een gevoel.
De boot zakte langzaam naar beneden. Sanne zakte mee. Ze kon hier gewoon ademen. Dat mocht in dit verhaal. Om haar heen werd alles blauw. Eerst licht blauw. Toen donker blauw. Het water was koel op haar armen. Het was rustig. Het was helemaal niet eng.
Er kwam een schildpad aan. Hij heette Bram. Bram was oud en traag. Zijn schild voelde als een gladde steen. Dag Sanne, zei Bram. Kom je mee? Ik breng je naar het lampje. Sanne hield zich vast aan zijn schild. Samen zwommen ze verder.
Onder hen wuifde het zeegras. Het kietelde langs haar tenen. Kleine visjes zwommen mee. Ze waren geel en zilver. Ze maakten geen enkel geluid. Ze fonkelden alleen maar. Het waren net kleine sterren in het water.
Ze zwommen door een tuin van koraal. Het koraal was roze en oranje. Sommige takken waren hard als steen. Andere takken waren zacht als wol. Sanne aaide er eentje. Het takje trok zich terug. Even later kwam het weer tevoorschijn. Bram moest lachen. Dat kietelt hem, zei Bram.
“Zou jij het harde koraal aaien, of juist het zachte?”
Een kleine keuze. Je kind mag zelf iets kiezen zonder goed of fout.
Helemaal onderin was het donker. Maar niet zwart. In het donker hing een klein lampje. Het lampje was een visje. Het visje heette Pip. Pip gloeide zachtjes oranje. Als een kaarsje onder water. Ik schijn hier elke nacht, zei Pip. Zo kan niemand verdwalen.
Kom maar eens kijken, zei Pip. Hij scheen op een rij kleine holletjes. In elk holletje sliep een dier. Een krab met zijn scharen naar binnen. Een zeepaardje met zijn staart om een sprietje. Een platvis onder een dun laagje zand. Iedereen had zijn eigen plekje. Net als Sanne thuis.
“Elk dier heeft een eigen plekje. Waar lig jij het liefst?”
Brengt de aandacht terug naar het eigen bed en het eigen huis.
Sanne ging zitten op een groot kussen van mos. Het mos was warm en een beetje veerkrachtig. Pip zwom rondjes boven haar hoofd. Een rondje. En nog een rondje. Het licht ging steeds mee. Heen. En weer. Net als de boot.
Bram legde zijn kop op zijn poten. De visjes werden stil. Het zeegras wuifde nog een keer. Toen stond ook het zeegras stil. Het water bewoog bijna niet meer. Pip maakte zijn licht een beetje kleiner. En nog een beetje kleiner.
Sanne gaapte. Ze deed haar ogen dicht. Ze voelde haar deken weer. Warm en zacht. Het schelpje lag naast haar op het kussen. Het ruiste nog heel zachtjes. Ruis. Ruis. Sanne viel in een diepe, rustige slaap. En wat ze morgen in de diepzee gaat vinden? Dat is een avontuur voor de volgende keer.